
Deze zomer neem ik mijn zoon van dertien mee naar Auschwitz. Niet omdat ik er zin in heb. Niet omdat het op iemands “bucketlist” staat. Maar omdat ik vind dat hij moet weten waar hij vandaan komt.
Mijn familie is daar vermoord. Niet dood gegaan, niet overleden. Vermoord. Systematisch. Omdat ze Joods waren.
En ik wil dat hij het ziet. De barakken. De bagage. Waar onze familie eerst nog werd vernederd, kaalgeschoren, weggevaagd tot nummer.
Ik wil er niet heen om hem te traumatiseren, maar omdat dit geen abstract verhaal is. Het is ons verhaal. Zijn verhaal. Geen ‘ver van mijn bed-show’. Ons bloed. Onze geschiedenis.
Ik wil hem daar mee naar toe nemen om te laten zien, zo ver kan het gaan. Want vergis je niet: de mensen die dit deden, waren geen monsters. Ze hadden een hond, een vrouw, een baan. Ze lachten, ze kochten brood, en ze deden ’s avonds het licht uit. Ze waren dus… mensen. Net als wij.
En daar sta ik dan straks. Met mijn puber, in de Poolse zon, bij de poort met “Arbeit macht frei” erop. Met de as van onze familie in de grond. En in mijn hoofd: Gaza.

Comments